| MARTE EN TIERRA |
José Toral |
|
ENSAYOS SOBRE EL ARTE
La totalidad del futuro
es el ahora
Krishnamurti |
|
'Marte en Tierra' nos ofrece
un
pequeño tomo de veinte
poemas
y cinco ensayos.
Su convicción hacia un
enfocamiento de una vida
altruista como entendimiento
existencial absoluto, invita
a
una reflexión profunda
sobre
los dogmas, abismos y condicionamientos humanos,
que nuestra especie ha ido
llevando a rastras durante
tantos milenios. |
| Toralirics |
 |
|
|
Flamenco
a Jan Van Genechten
Cuatro sigilosos callos
juegan a un ajedrez sonoro
recorriendo en solitario
trescientosveinte centímetros cuadrados
de ébano sagrado.
Cuatro yemas doloridas
pisan seis siglos de cuerdas
y cinco uñas rasguéan
a compas insomne.
¿Quien dijo que esta prohibido el cante?
¿Y quien se quitó los zapatos
a la hora de bailar una taranta?
No fué el vino ni el olvido
lo que me hizo callar,
una siguiriya desbocada
cantada por una boca al rojo vivo,
me hizo callar,
como hace callar el llanto de la resina
dentro del candente tronco de olivo,
cuando el fuego lo cubre del todo.
¡Oh, flamenco!
Tal vez
tu inyectable fluido,
tu dulce flamígero almibar
se me introdujo mientras dormia...
y sin darme cuenta me llevaste
como se lleva a un niño de la mano,
por tus nocturnas catacumbas,
con pesadumbre y risas,
con madera y tacon,
puños que se cierran y se abren,
me llavaste a tu gran sala,
donde tus difuntos se reunen por fiesta
jaleándole a quien por ella entraba.
En medio de la sala
un cipres cortado en finas láminas
le brilla un febril quejido,
el de sus futuros dueños
y en sus altas paredes tres lunares de sangre dilatada clabados sobre un tabernáculo.
Al final de la sala,
un niño me hablaba
con una aldaba en la mano
y de sus labios brotaban
trenzas de mimbre y escarlata.
Cuando abrí la puerta sin aldaba
ví el mar al borde del escalón,
escalón hacia lo entero,
hacia lo azul. |
Torero
Se dice que tus pilares
Se hicieron con vigor y orgullo
Y que no temes las arenas
De ocres y rojas manchas
¡Áy! dulce negro desbocado...
Apretado y atrapado en tu traje
Ruegas que se callen;
Con el corazón en vilo
Un rápido santiguarse.
¡Áy! dulce negro desbocado...
Brillantes manchas de
Oro, sudor y sangre, retumban
Con el aplauso de morfina melodia,
Haciendo los dioses del marte
Un festin de maestranzas
A un estrujado corazón
¡Áy! dulce tauro
desbocado...
Sabio y puro eres;
Tu muerte será corta y proclamada,
Pero el mataór aún no sabe,
Que su muerte está ahí,
Atrapadita en su corazón. |
Amberes
en Junio
Salvo en su solilóquio,
Toda esa gama de olores y colores,
Toda esa explosión de formas sobre las lomas
Que el verano prometía, ya no existía.
Él, permanecía sentado, agachado,
Bajo las espesas nubes que rozaban
Los tejados dormidos y doblados
De la sonámbula ciudad.
No existía, salvo en su recuerdo,
El azul madre de colores que raja
El vidreo del vaso sobre el bordillo.
Ya se fueron los ruiseñores
Dejando la alcantara vacia.
Ya se siente la algazara ciega
De cabezudos sordos y mirones,
Ahogados en un baso de tormentas.
Él, salvo en su pintada elegia
De imaginados colores,
Ya no existía. |
| |
Hertaling in het Nederlands : Rudy Tomasen |
|
Flamenco
Vier raadselachtige eeltknobbels
spelen een sonoor schaakspel;
daarvoor loopt ieder voor zich
over driehonderd twintig vierkante centimeter
gewijd ebbenhout heen en weer.
Vier pijnlijke vingertoppen betreden
zes eeuwigheden van snaren
en vijf vingernagels slaan ratels
in een slapeloze maat.
Heeft er iemand gezegd dat zingen niet mocht?
En is er iemand die zijn schoenen uittrok
als er een taranta te dansen viel?
Noch de wijn noch de vergetelheid
hebben mij verstomd,
een seguiriya die was losgebroken
uit een zingende mond van vurig rood
die me heeft verstomd
zoals verstomt de zang van het hars
in de gloeiend hete olijfboomstam
als het vuur helemaal over hem heen is.
Ay, flamenco!
misschien heb je mij wel geïnjecteerd
met je zoete flamboyante stroop
terwijl ik lag te slapen...
en zonder dat ik het doorhad
heb je me meegesleept als een jongetje aan de hand
doorheen je nachtelijke catacomben
met leed en lach
met hout en hak
vuisten die open en dicht gaan
en me geleid naar je grote zaal
waar je overledenen samen komen feesten
en toejuichen wie er binnenkomt.
Midden in die zaal
laat een in fijne bladen gesneden cipres
het geklaag van zijn toekomstige meesters opkomen
en op haar hoge wanden:
drie vlekken van vergoten bloed
gespijkerd boven een tabernakel.
Op het einde van de zaal
sprak een jongen me aan
met een klink in de hand
en uit zijn mond ontloken
vlechten van riet en scharlakenrood.
Toen ik de deur zonder klink open deed
zag ik de zee aan de rand van de drempel,
de drempel naar het geheel,
naar het blauw. |
|
Torero
Ze zeggen dat je gebouwd bent
op pijlers van trots en van moed
en dus van het zand niet bang bent
met zijn vlekken van opgedroogd bloed.
Ach, arme zwarte dolgedraaide dwaas...
In je knellend pak gevangen
vraag je iedereen, even te zwijgen,
en dan sla je nog gauw een kruis
om je bange hart rustig te krijgen.
Ach, arme zwarte dolgedraaide dwaas...
De schitterende gouden schilfers
zingen samen met zweet en bloed
en applaus een lied dat verdooft,
en de krijgsdoden festijnen belooft
van samengeknepen hart.
Ach, op hol geslagen stier,
jij bent zo wijs en zo puur,
jouw dood zal kort zijn, lief dier.
Maar diep in zijn hart opgeslagen,
hoewel hij het nog niet weet,
loopt de doder zijn dood mee te dragen. |
|
Antwerpen
in juni
Alleen maar in het spreken
met zichzelf was het er nog.
die rijke schakering van geuren en kleuren,
die vormenexplosies die de heuvel opfleuren.
Waar bleef de zomer nou met zijn beloften toch?
Gebogen bleef hij zitten waar hij zat,
onder de dikke wolken die daar dreven
over de slapende, gevouwen daken van een stad
— en die was maar slaapwandelend in leven.
Het was er niet, behalve dan in zijn herinneringen,
dat blauw dat moeder is van alle kleuren,
en dat het glas dat op de stoep staat kan doen springen.
De nachtegalen waren weggegaan
en hadden alles onbezongen laten staan.
Je voelt het al, dat blind rumoer
van dove, gluurderige dwazen
een storm in een glas water die zal razen.
En hij, ach hij bestond niet meer,
behalve dan in die gedroomde kleuren van weleer. |
 |
j o s é t o r a l |
|
|
|
|